Kraamperiode

Kraamvisites

Als verloskundige begeleiden wij je in je kraambed. Dit houdt in dat we tot met de achtste dag na de bevalling regelmatig thuis langs komen. We kijken bij deze controles hoe het met jou en je baby gaat. Indien er problemen zijn proberen wij oplossingen aan te reiken. Na deze periode wordt de zorg overgenomen door het consultatiebureau en de huisarts. Na de geboorte van je baby kun je een afspraak maken voor de nacontrole. Dit is een afsluitende controle 6 weken na de bevalling bij ons op de praktijk. 

De kraamverzorgende assisteert bij de bevalling (ook bij een poliklinische bevalling!) en neemt in de kraamperiode de zorg voor moeder en kind op zich. Kraamzorg moet je vroeg in de zwangerschap regelen (rond de 3 maanden). Je kunt het beste wachten tot je je eerste controle bij ons hebt gehad, alvorens je de kraamzorg regelt. Wij zullen je bij de eerste controle informeren over hoe je de kraamzorg kunt aanvragen. Met de kraamzorgverpleegkundige, die rond de zesde of zevende maand contact met je opneemt, kun je de vorm bespreken die het beste bij jou en je gezin past.

De aangifte

Binnen 3 dagen na de geboorte moet je je kindje bij de gemeente van zijn geboorteplaats aangeven. Meestal gebeurt dit door de partner (of iemand anders die aanwezig is geweest bij de geboorte). Neem een geldig identificatiebewijs mee en eventueel het trouwboekje. Als je niet getrouwd bent, is het belangrijk dat je vóór de 7e maand van de zwangerschap samen met je partner naar het gemeentehuis gaat. Je partner wordt dan officieel erkend als vader (en je kind kan dan ook eventueel de achternaam van de partner krijgen). Tegenwoordig mag je kiezen welke achternaam de baby krijgt, die van de vader of die van de moeder. Voorwaarde is wel dat alle kinderen uit 1 gezin dezelfde achternaam krijgen. Voor vragen over erkenning, naamgeving en aangifte kunt je contact opnemen met de gemeente. Naast aangifte bij de gemeente, moet je je kindje na de geboorte ook zo snel mogelijk aangeven bij de ziektekostenverzekering.

Hielprik

In de kraamperiode komt de wijkverpleegkundige bij je baby langs voor het uitvoeren van de hielprik, meestal rond de vijfde dag. Sinds 1 januari 2007 voert men met de hielprik een uitgebreide screening uit op 17 ziektes. Daarbij gaat het om een aandoening van de schildklier, een aandoening van de bijnier, een bloedziekte (sikkelcelziekte) en een aantal stofwisselingsziekten. De aandoeningen waar men naar kijkt zijn niet te genezen. Maar als ze op tijd worden opgespoord zijn ze wel goed te behandelen. Dergelijke behandeling dient dan zo snel mogelijk ingesteld te worden. Als dit goed gebeurd kan er ondanks de aandoening een behoorlijk goede gezondheid worden bereikt voor je kind. Het is daarom heel belangrijk voor de gezondheid van je kind dat je mee doet aan het onderzoek. Bij 36 weken zwangerschap ontvang je van ons een folder met uitgebreidere informatie over de hielprik. Voor aanvullende informatie over de ziektes waarop gescreend wordt of een informatiefilmpje kun je terecht op www.rivm.nl/hielprik .
Je baby krijgt een prik in de hiel, hieruit kan men enkele druppels bloed afnemen die voldoende zijn om de volledige screening uit te halen. Als je kind in het ziekenhuis ligt wordt daar de hielprik uitgevoerd. Na de hielprik wordt het bloed naar een laboratorium gestuurd waar het wordt onderzocht. Indien er niet genoeg bloed afgenomen blijkt te zijn wordt de hielprik herhaald. Indien de uitslag van het onderzoek GOED is ontvang je hierover GËËN bericht!

Anticonceptie

Na de bevalling breekt er een moment aan waarop het belangrijk is weer over anticonceptie na te denken. Tegenwoordig is er een heel scala aan anticonceptiemiddelen te verkrijgen. Hieronder hebben wij deze met een beknopte uitleg voor je op een rij gezet. Afhankelijk van de situatie zijn bepaalde middelen juist meer of minder geschikt. Voor specifiekere informatie hierover kun je terecht bij ons of de huisarts.

Het hormoonspiraaltje

Dit spiraaltje bevat een hormoon dat ervoor zorgt dat het baarmoederslijmvlies zich niet opbouwt, hierdoor kan een eicel zich niet innestelen. Tevens zijn ook de bloedingen veel lichter en minder pijnlijk. Door de lage dosering van het hormoon is het aantal bijwerkingen beperkt. Eenmaal geplaatst is het hormoonspiraaltje voor vijf jaar werkzaam. Dit anticonceptiemiddel is te gebruiken bij borstvoeding!

Het koperspiraaltje

Het koperspiraaltje zorgt er via inwerking op de baarmoederwand voor dat een eicel zich niet in de baarmoeder nestelt. Het koperspiraaltje kan buikkrampen en hevigere en pijnlijkere menstruaties met zich meebrengen. Deze vorm van anticonceptie is met name geschikt als u op zoek bent naar een methode voor langere tijd.

De pil

De bekendste en meest gebruikte vorm van anticonceptie is 'de Pil’. De pil werkt drievoudig: allereerst wordt voorkomen dat er een eicel rijpt en een eisprong plaatsvindt. Daarnaast wordt het slijm in de baarmoederhals minder doordringbaar voor zaadcellen. Ook door veranderingen van het baarmoederslijmvlies wordt zwangerschap voorkomen.

De combinatiepil

De meest gebruikte pil is de combinatiepil: een pil die een combinatie bevat van oestrogeen en progestageen. U slikt de pil gedurende drie weken elke dag en dan een week niet. In die week krijgt u een onttrekkingsbloeding.

De minipil

De minipil bevat alleen progestageen en is alleen betrouwbaar als hij elke dag op hetzelfde tijdstip wordt ingenomen. Bij langdurig gebruik kan de menstruatie onregelmatig worden of zelfs wegblijven. De minipil wordt vaak als tijdelijke oplossing gebruikt door vrouwen die borstvoeding geven.

De prikpil

Ook de prikpil bevat alleen progestageen. De prikpil is een injectie die eens in de drie maanden door de huisarts wordt gegeven. Na ongeveer een jaar verdwijnt de menstruatie. Als u stopt met de prikpil kan het tot een jaar duren voor u weer vruchtbaar bent.

De anticonceptiering

De anticonceptiering heeft dezelfde werking als de pil. De ring brengt u zelf in de vagina. Na 3 weken kunt u hem weer verwijderen. Na een ‘stopweek’ brengt u een nieuwe ring in.

Het hormoonstaafje

Het hormoonstaafje wordt door uw huisarts onder de huid in de bovenarm geplaatst. Het geeft progestageen af en biedt drie jaar bescherming. Als het staafje wordt verwijderd bent u direct weer vruchtbaar.

De anticonceptiepleister

De anticonceptiepleister werkt hetzelfde als de combinatiepil. Via de huid geeft de pleister een week lang hormonen af. Eén week per maand hoeft u geen pleister te plakken. In die week krijgt u een onttrekkingsbloeding.

Condooms
Naast bescherming tegen zwangerschap bieden condooms ook bescherming tegen geslachtsziekten. Tegenwoordig bestaan er zowel mannen- als vrouwencondooms.

Het pessarium

Het pessarium is een rubber kapje dat u voor de baarmoedermond kunt aanbrengen. Het pessarium wordt ‘aangemeten’ door een arts. Als u voor deze vorm van anticonceptie kiest is het belangrijk dat u ook een zaaddodend middel gebruikt.

Minder betrouwbare methoden

Naast bovengenoemde vormen van anticonceptie bestaan er nog een aantal minder betrouwbare methoden zoals periodieke onthouding, coïtus interruptus (“voor het zingen de kerk uit”) of de temperatuurmethode. Als u absoluut niet zwanger wilt worden, is het verstandig om een andere dan deze methode te kiezen.

Sterilisatie

Als u al enige tijd absoluut zeker weet dat u geen kinderen (meer) wilt, dan kunt u kiezen voor sterilisatie. Deze ingreep kan bij de man of vrouw plaatsvinden. Sterilisatie van de man vindt plaats onder lokale verdoving. Sterilisatie van de vrouw gebeurt onder narcose. Sterilisatie is moeilijk ongedaan te maken!

Nacontrole

Als je wilt kun je een afspraak maken voor de nacontrole. Deze vind zes weken na je bevalling plaats. Het is niet verplicht, maar mogelijk indien je nog graag even na wil praten over de bevalling of nog lichamelijke klachten hebt.